About The School

About learning a language, learning Dutch.

How did you learn your first language.  The first book your parents gave was not a grammar book ( I hope). You learned your first language(s) in a very easy process of copying, mimicking all the sounds and facial expressions around you. You developed your speaking skills step by step in the context of questioning and answering and that all  in the frame of your daily activities and events. With that it all started.

This is exactly what you’re going to do in your Dutch course(s) at the School for Dutch. Of course in a much faster process.

In a comfortable environment you will increase  your confidence to speak by 'trial and error'. Dare to make mistakes, helps to increase your confidence and let you grow into the language, into ‘handling / doing ’ the language.

Learning methods and philosophy.

Learning a language means far more than just memorizing words and learning grammar rules.Realize the similarity of learning a language and learning music

Like learning music learning a language is first and foremost a physical activity which starts with just ‘doing the language’.

By using songs, language games, role playing, recent news events, daily dialogues and relevant stories we create a comfortable environment in which people feel free to work together. In this comfortable environment you will increase your confidence to speak by 'trial and error'.

Test your level.

The online test gives you and us a hold where you stand with your Dutch. Realize it is just a test, you do the test in your own pace, it’s more checking grammar concepts than checking your speaking skills. If necessary a short telephone conversation (in Dutch) will help to make a more clear decision about the most appropriate course.

Learn more

Want to learn more or not sure how to take the level test? Get in touch via email or phone.

A bit about myself and my background.

A good 25 years ago I made a career switch and I swapped my theater activities (playing, directing) for teaching Dutch.

Theater is communicating 'par exellence', communicating in a language obviously means a lot more than reproducing words and applying grammar rules.

Wessel van der Heijden.

The Learndutch community.

Many expats encounter the same difficulties when they arrive, such as finding an apartment and looking for a new job, as well as dealing with local rules and regulations.

Learning a language means far more than just memorizing words and learning grammar rules. It is first and foremost a physical activity which starts with just ‘doing the language’.

During the classes there are always opportunities to exchange information on good restaurants and bars, or to pick up tips on available accommodation and perhaps even meet a new flatmate.

Check available courses below or login as a student!

Making history

This comfortable environment greatly increases a student's confidence to speak by 'trial and error'. This leads them to explore new associations and to venture further based on what they already know.

Learning a language means far more than just memorizing words and learning grammar rules. It is first and foremost a physical activity which starts with just ‘doing the language’.

By using songs, language games, role playing, recent news events, daily dialogues and relevant stories we create a comfortable environment in which people feel free to work together.

Learning a language means far more than just memorizing words and learning grammar rules. It is first and foremost a physical activity which starts with just ‘doing the language’.

Contact us.

Are you interested in following a course with us, or do you have a general question regarding our teaching methods and philosophies? Please head over to our contact page to get in touch.

Leveltest

Present

1.

Ik

uit Noorwegen en

nu 5 jaar in Nederland.

2.

Ik

nu 3 jaar in Amsterdam en mijn broer

nu 5 jaar in Nederland.

3.

Hij en zijn vrouw

een huis met een grote tuin en ik

een flat met een balkon.

4.

Ik

blij met mijn balkon, een tuin

veel te veel werk.

Leveltest

Negation

1.

Ben je dokter? Nee, ik ben

dokter.

2.

Is jouw vakantie in maart? Nee, mijn vakantie is

in maart.

3.

Heb je honger? Nee, ik heb

honger.

4.

Rook jij veel? Nee, ik rook

veel, slechts 3 pakjes per dag.

Leveltest

Past finito

1.

Ik

20 jaar in Tokio

.

2.

Jan

gisteren te veel

.

3.

Ik

een uurtje in het park

.

4.

Marian

naar Albert Heijn

.

5.

Wij

gisteren een uur

.

Leveltest

Pronomina

1.

Hij neemt

eigen laptop mee.

2.

Maria en John gaan met

eigen auto.

3.

Ik geef mijn pen aan John. (= same as) Ik geef mijn pen aan

.

4.

John geeft zijn boek aan Maria. (= same as)

geeft zijn boek aan

.

5.

John en William geven hun hond aan Maria. (= same as)

geven hun hond aan

.

Leveltest

Question words

1.

gaat het? O, het gaat goed.

2.

loopt daar? O, dat is mijn vriend.

3.

loopt hij zo hard? Hij moet naar de tandarts en hij is te laat.

4.

is zijn probleem? Hij gaat voor controle.

5.

woont zijn tandarts? In Amsterdam-Oost.

6.

komt je vriend terug? Met de tram, denk ik.

7.

Met

tram gaat hij? Met tram 25, denk ik.

Leveltest

Storytelling

1.

Een man in een grote Mercedes

op zoek naar een parkeerplaats.

2.

Eindelijk

de man er één die groot genoeg was.

3.

Toen hij zijn auto

parkeren,

er van achteren een kleine Fiat.

4.

De Fiat

vlug op de open plaats staan.

5.

De man in de Mercedes

helemaal niet.

6.

Hij

langzaam achteruit parkeren

Leveltest

Mix

1.

Person A: Ik

gisteren naar het theater

.

2.

Person B: O, wat

je

en hoe

het?

3.

Person A: Angels in America, het

fantastisch, de voorstelling

5 uur.

4.

Person B: Wat ?! 5 uur? Zolang ? Een toneelvoorstelling die 5 uur

?

5.

Person A: Ja, maar het

helemaal geen probleem.

Leveltest

Reflexive verbs

1.

Ik

elektrisch.

2.

De boer

de schapen in maart.

3.

Ik

mijn oude opa elke week.

4.

Zij

niet.

5.

Wij

met water en zeep.

6.

Jullie

elektrisch.

7.

Mannen

bijna elke dag.

Leveltest

Seperate verbs

1.

Ik

de kamer

. (schoonmaken)

2.

Ik

Jan voor mijn verjaardag niet

. (uitnodigen)

3.

Pas op, ik

je met tennis compleet

. (inmaken)

4.

Romeo

het met Julia

. (uitmaken)

5.

Ik

de muskiet

. (doodmaken)

Leveltest

Conjuctions

1.

Mijn vader is morgen jarig

mijn zusje is volgende week jarig.

2.

Ik ga morgen naar mijn vader

ik ga morgen naar mijn zusje.

3.

Ik ga morgen naar mijn vader

hij is morgen jarig.

4.

Ik ga morgen naar mijn vader

ik ben morgen niet in Amsterdam.

5.

Ik ga met de trein naar mijn vader

mijn zusje met de auto komt.

6.

Ik moet morgen naar mijn vader,

ik heb eigenlijk geen tijd.

You reached: